Leestijd: 10 minuten
Deel 4: De school bestond 16 maanden, onderzoek ernaar leek eindeloos
Hoewel bij de geallieerde inlichtingendiensten steeds meer bekend werd over de sabotageorganisatie van de Sicherheitsdienst (SD) en de school voor spionage en sabotage in Den Haag, bevatten de signalementslijsten van leerlingen en personeelsleden in de Britse en Amerikaanse verhoordossiers van opgepakte Zorgvliet-agenten voornamelijk schuilnamen. Daarmee bleef voor de inlichtingendiensten een lastige opgave bestaan: het achterhalen van de ware identiteit van zoveel mogelijk leerlingen en personeelsleden van de school in Den Haag. Wie waren deze gevaarlijke figuren en waar waren zij?
De leerlingen en vrijwel alle personeelsleden moesten op A-Schule West een schuilnaam aannemen en het was verboden elkaars echte naam uit te wisselen. Ook werden de verschillende groepen leerlingen zoveel mogelijk van elkaar gescheiden, zodat identiteitskenmerken, informatie over hun land van herkomst en kennis over hun toekomstige inzet niet onderling konden worden gedeeld. Deze veiligheidsmaatregelen moesten voorkomen dat, wanneer Zorgvliet-agenten door de geallieerden werden opgepakt, andere leerlingen konden worden opgespoord of aanwijzingen over toekomstige operaties zouden worden verraden. Afgezien van hun eigen opleiding en de opdrachten waarvoor zij zelf werden uitgezonden, hadden de meeste leerlingen nauwelijks benul van de organisatie waarvan zij deel uitmaakten.
Ook voor mij als onderzoeker bleek het achterhalen van de werkelijke identiteit van leerlingen, instructeurs en andere medewerkers van de spionageschool een ingewikkelde zoektocht. Om zowel de ware identiteit van de betrokken personen als de organisatie en het doel van het sabotageprogramma in kaart te brengen, bestudeerde ik de Britse en Amerikaanse verhoordossiers van gearresteerde leidinggevenden aan de hand van de hiërarchische opbouw van de Sicherheitsdienst.
De verhoordossiers van officieren op het hoogste niveau geven inzicht in de achtergronden van het ontstaan, de doelstellingen en de ontwikkeling van het sabotageprogramma van de SD. Pas uit de verhoren van SD-officieren op lagere niveaus, die direct bij de uitvoering van het sabotageprogramma betrokken waren, kwamen steeds meer werkelijke identiteiten naar voren van leerlingen, instructeurs en andere stafleden van A-Schule West.
Twee nieuwe gevangenen in Camp 020
De arrestatie en ondervraging van Duitse inlichtingenofficieren in Italië, Frankrijk en België bracht bij de geallieerde inlichtingendiensten een stroom aan nieuwe kennis over het vijandelijke sabotageprogramma op gang. Zo werd duidelijk dat dit programma van de SD werd geleid door het onderdeel van deze veiligheidsdienst dat zich oorspronkelijk vooral bezighield met het vergaren van buitenlandse inlichtingen: Amt VI. Dit onderdeel maakte deel uit van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), het machtsapparaat waarin de politieke veiligheidsdiensten van de Duitse staat en de nazipartij NSDAP waren samengebracht.
Pas na de Duitse capitulatie kregen de geallieerden een vollediger beeld van Amt VI, haar spionage- en sabotageprogramma en de operaties die zij had uitgevoerd. Dat inzicht ontstond doordat enkele van de hoogste leidinggevenden van het RSHA werden gearresteerd en ondervraagd. Toch ontbrak de allerhoogste leiding: Adolf Hitler was dood, hoewel daar destijds nog geen zekerheid over bestond, en ook SS-leider Heinrich Himmler had kort na zijn arrestatie tijdens zijn eerste ondervraging een zelfmoordcapsule doorgebeten.
Direct onder Hitler en Himmler stond Ernst Kaltenbrunner, het hoofd van het RSHA. Onder hem stond de leider van Amt VI: Walter Schellenberg. Zowel Kaltenbrunner en Schellenberg werden na hun arrestatie overgebracht naar het Verenigd Koninkrijk, waar zij enige tijd in Camp 020 werden geïnterneerd voor intensieve ondervraging.
Als leider van het RSHA gaf Kaltenbrunner de vaak rechtstreeks van Hitler en Himmler afkomstige opdrachten door aan Schellenberg. In zijn verhoorrapport staat dat hij de activiteiten van Amt VI voor 85 tot 90 procent verspilde tijd vond en dat hij vermoedde dat Schellenberg er zelf ook zo over dacht. Tijdens zijn verblijf in Camp 020 probeerde hij zich voor te doen als iemand die weinig gedetailleerde kennis had van de spionage- en sabotageactiviteiten van Amt VI. Wat zijn eigen toekomst betrof, was Kaltenbrunner ervan overtuigd dat hij tot de doodstraf zou worden veroordeeld. Het verstrekken van uitgebreide informatie zou zijn lot niet veranderen.
Schellenberg zag vanwege zijn waardevolle inlichtingenkennis mogelijk een rol voor zichzelf weggelegd in de naoorlogse Anglo-Amerikaanse veiligheidsorde, waarin de spanningen met de Sovjet-Unie snel toenamen. De verhoorverslagen geven het beeld van een strategische denker, maar ook van iemand die zichzelf beschouwde als een geniale inlichtingenofficier die onvoldoende gewaardeerd werd. Uitgebreid vertelde hij tijdens zijn verhoren over zijn innovatieve methoden voor inlichtingenwerving en de analyse daarvan, en hij beklaagde zich over het gebrek aan begrip van zijn superieuren voor de waarde van die analyses voor de militaire en politieke besluitvorming. Daarnaast klaagde hij over de tegenwerking die hij binnen het RSHA had ondervonden en was hem te laat in de oorlog toestemming gegeven om de meest geheime activiteiten van Amt VI, spionage en vooral sabotage, op grote schaal te ontwikkelen.
Ontstaan van het sabotageprogramma van Amt VI
De toestemming om die meest geheime activiteiten van Amt VI op grote schaal te ontwikkelen kwam toen het aantal sabotageacties van Sovjet-partizanen tegen de aanvoerlijnen van de Wehrmacht in de bezette gebieden van de Sovjet-Unie steeds meer toenam. Als reactie daarop besloot de Duitse leiding de eigen inlichtingen- en sabotageacties achter de linies uit te breiden. Vanaf het voorjaar van 1942 werden daartoe door de Duitse militaire inlichtingendienst en Amt VI van het RSHA, deels onafhankelijk van elkaar en deels in samenwerking, Sovjet-krijgsgevangenen en andere anti-Sovjetvrijwilligers geworven voor infiltratie-, inlichtingen- en sabotageoperaties.
In de tweede helft van 1942 gaf Himmler bevel tot de ontwikkeling van Unternehmen Zeppelin, een operatie van de SS en het RSHA waarmee agenten achter de Sovjetlinies moesten worden ingezet voor het verzamelen van inlichtingen en het uitvoeren van sabotageopdrachten. Tot dan toe hadden deze operaties vooral toebehoord aan de Abwehr, de militaire inlichtingendienst van de Wehrmacht.
Na aandringen van Schellenberg werd Amt VI door Himmler binnen Operatie Zeppelin belast met belangrijke onderdelen van de ondersteuning en opleiding van agenten. De technische ondersteuningsdienst van Amt VI (Gruppe VI F), verzorgde daarbij onder meer de uitrusting van de radiotelegrafisten voor deze operatie met kleine radioapparatuur die naar Brits en Amerikaans model was ontwikkeld.
Operatie Zeppelin gaf Amt VI een belangrijk aandeel in de uitvoering van geheime operaties en bood Schellenberg de mogelijkheid om de positie van zichzelf en zijn dienst binnen het RSHA te versterken. Tot dan toe had Amt VI, belast met de buitenlandse inlichtingenverwerving van de Sicherheitsdienst, binnen het machtsapparaat van Himmler (en Hitler) een relatief bescheiden positie ingenomen in vergelijking met invloedrijkere onderdelen zoals de Gestapo (Amt IV) en de binnenlandse inlichtingendienst van de SD (Amt III).
Het sabotageprogramma als reactie op de Britse SOE-acties
Inmiddels waren in de door Duitsland bezette landen in Europa steeds meer door de Britten uitgezonden agenten actief geworden. Naast het verzamelen van inlichtingen organiseerden zij, met hulp van vooral burgers, ook verzetsgroepen die sabotageacties uitvoerden. Ook naar Nederland werden tientallen agenten gezonden, hoewel zij tijdens het Englandspiel vrijwel allemaal konden worden gearresteerd voordat zij in actie konden komen.
Als reactie op de succesvolle sabotageacties van agenten die door de Britse inlichtingendiensten, en met name de Special Operations Executive (SOE), waren opgeleid en aangestuurd, gaf Himmler aan het eind van de zomer van 1942 Schellenberg opdracht om Amt VI soortgelijke operaties te laten uitvoeren. Hiervoor richtte Amt VI Unternehmen Otto op. Dit programma was gericht op het aantrekken van vooral burgers van niet-Duitse nationaliteit, die naar Brits voorbeeld door de technische ondersteuningsdienst Gruppe VI F van het Amt werden opgeleid. Daarna zouden zij door Amt VI worden ingezet om vergelijkbare acties uit te voeren in gebieden die onder controle stonden van de westerse geallieerden.
De kennis over de Britse opleidingen werd verzameld uit de verhoren van geallieerde agenten die overal in Europa waren gearresteerd, voor zover zij niet tijdens vuurgevechten waren omgekomen, zelfmoord hadden gepleegd of na korte verhoren waren geëxecuteerd.
Het boek over Spionageschool Zorgvliet biedt meer ruimte om uitgebreid te beschrijven welke succesvolle SOE-operaties de directe aanleiding vormden voor de ontwikkeling van een eigen sabotageprogramma door Amt VI. Hoewel het Englandspiel niet de aanleiding was voor het ontstaan van dit programma, speelde het daarbij wel een belangrijke rol. Uit de verhoren van de tijdens het Englandspiel gearresteerde Nederlandse agenten verkregen de Duitse inlichtingendiensten namelijk toegang tot een grote hoeveelheid informatie. Hoe was het mogelijk dat zij over zoveel kennis van de werkwijze, organisatie en opleidingsmethoden van de Britse geheime diensten beschikten?
Foto 08: een tijdens het Englandspiel buitgemaakte container met wapens en goederen
Bron: Beeldbank WO2 Collectie NIOD, identificatienummer: 86190, detail van de originele foto
Door het Englandspiel verkregen de Duitsers niet alleen uitgebreide informatie over de opleiding en werkwijze van de Britse geheime diensten, maar kwamen zij ook in het bezit van grote hoeveelheden Britse wapens en explosieven die door Britse vliegtuigen boven Nederland waren gedropt. De ladingen werden meestal in aluminium containers afgeworpen en bevatten voornamelijk wapens en uitrusting, waaronder Sten-machinepistolen, handgranaten, springstoffen, ontstekingsmateriaal, kleding en soms levensmiddelen en sigaretten.
Volgens een naoorlogse verklaring van een chauffeur die betrokken was bij de Duitse ‘ontvangstcomités’ tijdens het Englandspiel, werden de containers naar een villa in Wassenaar gebracht. Daar werd de inhoud uitgebreid onderzocht, geteld en geordend. Regelmatig, wanneer voldoende goederen waren verzameld, werd het grootste deel naar Berlijn overgebracht.
De buitgemaakte materialen werden verdeeld tussen de militaire inlichtingendienst Abwehr en het Reichssicherheitshauptamt (RSHA). Binnen het RSHA kwam een groot deel terecht bij de technische dienst van Amt VI, Gruppe VI F. Deze dienst stelde de wapens en uitrusting onder meer beschikbaar aan de sabotage-eenheden van Gruppe VI S van Otto Skorzeny. Skorzeny omschreef de door de Duitsers onderschepte droppings later in zijn boeken als ‘manna uit de hemel’, een verwijzing naar het Bijbelse verhaal waarin God de Israëlieten tijdens hun tocht door de woestijn van voedsel voorzag.
In de omgeving van Berlijn richtte de technische ondersteuningsdienst Gruppe VI F in het najaar van 1942 enkele opleidingscentra op waar cursisten, grotendeels van niet-Duitse afkomst, werden opgeleid in radiotelegrafie, spionage en sabotage. De opleiding was zoveel mogelijk gebaseerd op het model van de speciale Britse scholen voor sabotage- en guerrillamissies. In het voorjaar van 1943 richtte Gruppe VI F ook in Den Haag een opleidingscentrum op: A-Schule West.
Volgens Schellenberg was dit een van de hoofdscholen, naast die in Berlijn en die in Joegoslavië. Hij vertelde tijdens zijn verhoren niet veel over de scholen, maar hij kon zich herinneren dat op de school in Den Haag een
groep Arabische mannen werd opgeleid om daarna naar Palestijns gebied te worden gezonden en daar aan te zetten tot sabotage en opstand. Van zijn bij de school in Den Haag betrokken ondergeschikten en de daar opgeleide agenten kon Schellenberg zich vrijwel geen namen herinneren.
Niet alleen Schellenberg, maar ook zijn opgespoorde en gearresteerde hoogste ondergeschikten klaagden tijdens hun verhoren over de problemen waarmee Amt VI voortdurend kampte: een gebrek aan materiaal en geschikt personeel. Het werven van geschikte kandidaten, evenals hun opleiding en uitzending, was nooit goed van de grond gekomen. Over mislukte of nooit uitgevoerde spionage- en sabotagemissies gaven zij meer informatie dan over geslaagde operaties. Details over succesvolle missies en de namen en identiteitsgegevens van ingezette agenten hielden zij zoveel mogelijk verborgen.
De Skorzeny-verhoren
Ook de belangrijkste man achter de uitvoering van het sabotageprogramma van Amt VI werd gearresteerd: Otto Skorzeny. Tot het voorjaar van 1943 was hij een onbekende en weinig invloedrijke SS-officier, totdat Hitler, Himmler en Kaltenbrunner hem ten tonele droegen om het sabotageprogramma van Amt VI te gaan leiden.
Omdat Operatie Otto, het door de technische ondersteuningsdienst van Amt VI opgezette sabotageprogramma, na een halfjaar weinig succesvol bleek, werd een groot deel van deze activiteiten van Gruppe VI F afgesplitst en zelfstandig ondergebracht bij de nieuw opgerichte Gruppe VI S, onder leiding van Skorzeny. Als hoofd van ‘VI S’ viel Skorzeny formeel onder Schellenberg, maar beschikte hij tegelijkertijd over directe toegang tot Himmler en Hitler. Deze bijzondere positie stelde hem in staat om organisatorische problemen sneller op te lossen en zijn operaties met grotere zelfstandigheid uit te voeren.
Na de succesvolle bevrijdingsactie van Mussolini werd Skorzeny het gezicht van de Duitse speciale operaties en sabotageacties en maakte hij een bliksemsnelle carrière. Aan het einde van de oorlog bekleedde hij meerdere leidinggevende functies binnen de Waffen-SS en het RSHA, waar hij betrokken was bij de aansturing van verschillende speciale eenheden en operaties. Tijdens zijn gevangenschap benadrukte hij sterk zijn eigen rol en die van zijn SS-eenheden als militairen binnen de Duitse speciale oorlogsvoering.
Foto 09: Otto Skorzeny na arrestatie
Bron: The National Archives, Kew
Skorzeny stond bij de geallieerden bekend als Hitlers gevaarlijkste commando. Nadat hij zich half mei 1945 in de Oostenrijkse bergen had overgegeven aan een Amerikaanse legereenheid, werd hij onder zware bewaking naar Salzburg overgebracht voor direct verhoor.
Op de foto staat Skorzeny, kort nadat hij was gearresteerd, in zijn witte onderkleding naast een bewaker van de Amerikaanse Military Police. Als standaard veiligheidsmaatregel was zijn uniform afgenomen om het te inspecteren op verborgen wapens, explosieven of gifcapsules.
Later werd hij overgebracht naar een zwaarbewaakt geallieerd verhoorcentrum bij Frankfurt voor uitgebreide ondervraging door zowel Amerikaanse als Britse inlichtingendiensten.
In augustus 1947 moest Skorzeny voor een Amerikaans militair tribunaal verschijnen. Hij werd beschuldigd van oorlogsmisdrijven maar werd verrassend genoeg vrijgesproken.
Direct daarna werd hij door de Duitse autoriteiten gevangengezet in een interneringskamp in Darmstadt van waaruit hij in juli 1948 ontsnapte.
Vanuit zijn andere hoedanigheid, die als hoofd van Gruppe VI S, waartoe ook A-Schule West in Den Haag behoorde, verklaarde Skorzeny aan zijn geallieerde ondervragers dat de sabotageactiviteiten van VI S weinig te betekenen hadden. Hij had zich meer met de voorbereiding en uitwerking van operaties van de speciale SS-troepen beziggehouden dan met Gruppe VI S. De school in Den Haag kwam in de zomer van 1943 onder zijn bevel te staan, maar hij beweerde zich er nauwelijks mee te hebben bemoeid. Toch blijkt uit andere bronnen dat hij de school minstens viermaal bezocht.
Naast Skorzeny werden ook zijn adjudant en verschillende stafleden gearresteerd en verhoord. Hoewel Skorzeny het gezicht was van de Duitse speciale militaire operaties, lijkt hij niet het brein achter deze operaties te zijn geweest. De voorbereiding en uitwerking ervan lagen in belangrijke mate bij een staf van deskundigen, en niet zozeer bij Skorzeny.
Volgens de adjudant waren het soort operaties waarmee specifiek Gruppe VI S werd belast gebaseerd op plannen van hogerhand en beperkte VI S zich tot de voorbereidingen voor de uitzending en de opleiding van spionage- en sabotageagenten, met name op A-Schule West. De letter ‘S’ stond volgens Skorzeny en zijn adjudant immers voor de naam van de Gruppe:
Schulung (Scholing).
Zowel Skorzeny als zijn adjudant, die als jurist was opgeleid, beseften dat het soort acties waarbij Gruppe VI S betrokken was geweest weliswaar invloed kon hebben op het militaire verloop van de oorlog, maar volgens het internationale krijgsrecht beslist niet als militaire acties kon worden beschouwd. Het ging om misdadige acties. Zo was Gruppe VI S in Denemarken, dat onder Duits militair bestuur stond, betrokken bij moorden en bomaanslagen op burgerdoelen.
Gruppe VI S speelde een actieve rol bij enkele ontvoeringen en aanslagen, of pogingen daartoe, op buitenlandse regeringsleiders en geallieerde legerleiders. Daarnaast was de organisatie nauw betrokken bij het uitzenden van kleine groepen guerrillastrijders naar landen in het Midden-Oosten. Deze waren opgeleid aan de school in Den Haag. Een van deze groepen werd naar Palestijns gebied gestuurd, waar zij de strijd tegen het Britse bestuur moest aangaan en de Joodse en Palestijnse bevolking gewapenderhand tegen elkaar moest opzetten.
De Britse en Amerikaanse ondervragingsrapporten van Skorzeny, zijn adjudant en andere stafleden bieden meer inzicht in de organisatie van Gruppe VI S. Toch bevatten deze rapporten weinig gegevens over opgeleide agenten of het personeel van A-Schule West. Skorzeny noemde wel schoolcommandant Knolle, de onder hem werkende Nederlander Sprey en gaf de werkelijke namen van enkele Duitse explosievenexperts. Deze deskundigen waren door hem naar de school in Den Haag gestuurd om daar instructie te geven. Tot dan toe waren alleen hun schuilnamen bekend. Persoonsdossiers op naam van deze explosievenexperts zijn in de Britse en Amerikaanse archieven niet aanwezig. Dat geldt ook voor de meeste andere stafleden van Gruppe VI S. Pas tijdens mijn onderzoek in Duitse archieven vond ik op naam van enkele van deze experts een aantal Duitstalige dossiers.
Skorzeny en zijn adjudant waren tijdens hun verhoren zeer terughoudend met het noemen van namen van ingezette agenten. Tijdens uitgebreide ondervragingen over de rol van Gruppe VI S bij de door Hitler bevolen vergeldingsmaatregelen tegen de Deense verzetsbeweging en de burgerbevolking vanaf januari 1944, noemde de adjudant de werkelijke naam van een agent die bij deze acties betrokken was en op A-Schule West in Den Haag was opgeleid.
Volgens de adjudant was deze agent de enige van Gruppe VI S die eind oktober 1944, tijdens een andere infiltratiemissie in het door de geallieerden bevrijde Franse gebied, de frontlinie wist te doorkruisen en halverwege januari 1945 met succes vanuit het bevrijde Frankrijk door de geallieerde linies wist terug te keren. Daarna was hij, vlak voor de capitulatie van Duitsland, opnieuw met een opdracht achter de vijandelijke linies verdwenen. De ondervragers maakten Skorzeny en zijn adjudant niet bekend dat deze agent allang was gearresteerd en uitgebreid verhoord. Zij beschikten daardoor over meer informatie over de operaties van Gruppe VI S dan zij tijdens de verhoren lieten blijken. Door die informatie achter te houden, probeerden zij ‘het volledige verhaal’ van Skorzeny en zijn belangrijkste medewerker boven tafel te krijgen.
Bij de naam van deze op A-Schule West opgeleide en later in Denemarken ingezette agent vond ik op de website van het Amerikaanse National Archives and Records Administration (NARA) twee digitale dossiers die konden worden gedownload. Deze bevatten een grote hoeveelheid informatie waarmee de kennis over de opleiding, het dagelijks leven van de bewoners en de gebeurtenissen binnen de school in Den Haag verder kon worden uitgebreid.
De dossiers geven ook een duidelijk beeld van de werkzaamheden van deze agent nadat hij de school had verlaten. Zo blijkt dat hij eerst een proefopdracht moest uitvoeren voordat hij voor grotere operaties werd ingezet. Juist deze eerste opdrachten vormen waardevol vergelijkingsmateriaal met de Britse dossiers, waarin wordt beschreven hoe Italiaanse, Belgische en andere leerlingen van de school na hun opleiding als agent werden ingezet.
Verder bevatten de twee Amerikaanse dossiers signalementslijsten die tot december 1944 waren bijgewerkt. Veel namen op deze lijsten komen overeen met de signalementen in de Britse dossiers, die in dezelfde periode afzonderlijk werden bijgewerkt aan de hand van verhoren van Belgische agenten. De Amerikaanse lijsten zijn uitgebreider. Al deze namenlijsten beschrijven leerlingen en personeelsleden die aan de spionageschool in Den Haag waren verbonden. Ongeveer twintig instructeurs en andere stafleden bleken Nederlander te zijn.
Deel 5: Onderzoek in Nederlandse archieven
Historisch onderzoek naar Spionageschool Zorgvliet, ook bekend als A-Schule West of Seehof